Voordat ik verder ga, wil ik even duidelijk maken dat ik met zowat 90% van wat er in het stuk geschreven staat, eens ben. De Europese economie kampt met een systematische vraaguitval en deze realiteit wordt ook bevestigd door de recente economische cijfers. Gezien het feit dat de monetaire bazooka zo goed als leeg is en de rente zich nog steeds in negatieve territorium bevindt, kan je er praktisch niet omheen dat voor een adequate ondersteuning van de effectieve vraag en tewerkstelling - we onze pijlen vooral zullen moeten richten op een expansief fiscaal beleid, liefst gecoördineerd tussen de lidstaten. Op dat vlak kan ik mij volledig vinden in wat De Grauwe schrijft. Ik stel echter vast dat de conclusie die getrokken wordt, wat betreft de oorzaak van de lage rente in de eurozone; namelijk het idee dat de lage rente eerder te wijten is aan structurele factoren dan aan de ECB, getuigt van een onvermogen om economische en financiële concepten van elkaar te onderscheiden.
De macro-economische deductie waar Paul de Grauwe naar refereert, gaat als volgt:
Y = C + I + G + X - M
<=> Y = C + S + T
<=> C + I + G + X - M = C + S + T
<=> I + G + X - M = S + T
Als we de termen herschikken, krijgen we:
(I-S) + (G-T) + (X-M) = 0
Als we net als De Grauwe de rest van de wereld naar één kant v.d vergelijking brengen en de binnenlandse sector naar de andere kant, krijgen we:
(G-T) + (I-S) = (M-X)
Deze accounting identiteit zegt dat een spaaroverschot(tekort) op de lopende rekening gepaard gaat met een binnenlandse (overheid + private sector) spaaroverschot(tekort). Als bijvoorbeeld de rest van de wereld een spaartekort heeft, zal de binnenlandse sector per definitie een spaaroverschot moeten hebben.
Grafisch ziet dat er zo uit:
"De ECB is niet de fundamentele oorzaak van de lage rente die we vandaag in de eurozone zien. De fundamentele oorzaak is het grote spaaroverschot. En dat is sinds de financiële crisis systematisch blijven stijgen. De lopende rekening van de betalingsbalans meet het spaaroverschot (of tekort) van een land. Heeft die lopende rekening een overschot, dan concluderen we dat het land in zijn geheel meer spaart dan het investeert. Met een tekort is het precies omgekeerd. Welnu, tien jaar geleden had de eurozone een tekort op de lopende rekening van ongeveer 1 procent van het bbp. Er werd dus meer geïnvesteerd dan gespaard. Vandaag hebben we een overschot van 3,5 procent van het bbp. Er wordt dus in de eurozone meer gespaard dan geïnvesteerd. Hoe komt dat?"- Paul de Grauwe
De Grauwe slaat hier de bal compleet mis door macro-economische begrippen en begrippen uit de financiële wereld als één en gelijk te behandelen. Sparen in de nationale rekening wordt officieel gedefinieerd als:
S = Y- (C+I) (i.e. het percentage van het nationaal inkomen dat niet geconsumeerd wordt).
Deze macro-economische definitie van sparen heeft absoluut niets te maken met de financiële geldstromen waarop alle investeringsbeslissingen gefinancierd door derden, steunen. Het saldo op de lopende rekening toont de verandering in nettovordering-schuld positie tegenover de rest van de wereld, waarbij alle positieve en negatieve bruto geldstromen die ontstaan door transacties in buitenlandse financiële activa door binnenlandse entiteiten - elkaar opheffen. De lopende rekening zegt dus niets over de omvang van de onderliggende financiële transacties die de marktrente bepalen.
De Grauwe reduceert de complexe realiteit inzake de werking van financiële markten en het bankensysteem tot een vereenvoudigd neoklassieke loanable funds model. Deze visie is volkomen irrelevant wat betreft de operationele zijde van het financieel systeem. De rente die in dit abstract financieel model tot stand komt is de natuurlijke, niet-waarneembare Wickseliaanse rente; ook wel bekend als de equilibrium/neutrale rente (i.e. de rente waarbij de productmarkt in evenwicht is en er geen sprake is van onvrijwillige werkloosheid). Deze Wickseliaanse rente en de risicovrije marktrente - een benchmark voor alle andere rentetarieven in de economie - zijn op geen enkele wijze met elkaar gerelateerd. De statistische relatie tussen het saldo op de lopende rekening en de risicovrije marktrente is dan ook vrijwel onbestaand. (zie fig)
De VS heeft sinds de jaren 80 een spaartekort (i.e. tekort op de lopende rekening). Toch is de rente gedurende deze periode systematisch gedaald . Is deze observatie consistent met de theorie die Paul de Grauwe hier beschrijft?
Hoe komt de rente dan wel tot stand?
De ECB heeft in tegenstelling tot sommige andere centrale banken maar één mandaat, namelijk prijsstabiliteit. En om haar functie zo goed mogelijk uit te voeren, heeft ze enkele tools in haar toolbox waarop ze beroep kan doen. Het belangrijkste instrument is de beleidsrente. De rente op de geldmarkt (markt voor kortetermijninstrumenten) volgt de rente van de ECB heel nauw op de voet en is dus grotendeels in de handen van de ECB. De langetermijnrente op de risicovrije activa (i.e. schuldinstrumenten uitgegeven door de staat) komt tot stand door bij de beleidsrente een inflatiepremie toe te voegen. De fluctuaties op deze markt reflecteert de verwachtingen die marktparticipanten hebben over het toekomstig beleid van de centrale bank. Als de inflatie onverwacht oploopt en dreigt boven de afgesproken drempel van 2% te komen, zal de reactiefunctie van de centrale bank "hawkish" signalen uitzenden naar marktparticipanten waar ze op zullen reageren door de langetermijnrente te doen stijgen. Alle andere rentetarieven in de economie komen tot stand door bij de risicovrije rente een premie toe te voegen die de ex-ante trade-off tussen risico-rendement en de graad van concurrentie op de markt reflecteert.
Bovenstaande grafieken geven zeer duidelijk weer dat een significant deel van de variatie in de langetermijnrente tussen ontwikkelde landen met eigen munt -verklaard kan worden door het rentebeleid van de centrale bank-
Conclusie:
Neen, de rente is niet laag omdat de eurozone kampt met een chronisch spaaroverschot. Er is helemaal geen relatie tussen het saldo op de lopende rekening (een macro-economisch begrip uit de nationale rekening) en de risicovrije rente. De langetermijnrente fluctueert in functie van de verwachtingen die marktparticipanten hebben over de toekomstige beleidsrente. Dit verklaart waarom het einde van het opkoopprogramma van de ECB geen opwaartse druk heeft gehad op de langetermijnrente. Tegenvallende economische cijfers biedt de nodige ruimte voor de governing council om de beleidsrente nog een tijdje ongewijzigd te laten; met de hoop dat de inflatie op middellange termijn het niveau bereikt dat consistent is met het mandaat van de governing council. Zolang de inflatie dus niet op een duurzame manier beweegt naar de 2% doelstelling, is er geen reden om te veronderstellen dat de ECB haar beleidsrente zal verhogen en dat we in de eurozone zullen eindigen met hogere langetermijnrente (tenzij het kredietrisico en risico-aversie bij marktparticipanten toeneemt)





